Persoonlijke aansprakelijkheid bij NIS2: storm in een glas water of serieuze bestuursverantwoordelijkheid?
Er is de afgelopen tijd veel aandacht voor de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders onder de NIS2-richtlijn (Cyberbeveiligingswet). Dat gebeurt wel vaker bij de invoering van nieuwe wetgeving: een nieuwe set regels leidt al snel tot onrust en waarschuwingen in de trant van “als je dit niet op orde hebt, ben je als bestuurder straks persoonlijk aansprakelijk.”
We zagen dat destijds ook bij de AVG. Uiteindelijk bleek dat het juridisch kader daar behoorlijk terughoudend was. Persoonlijke aansprakelijkheid voor bestuurders komt daar pas in beeld bij evidente gevallen van wanbestuur.
Toch zien we nu dat de toon bij NIS2 steviger is, en bestuurders wel degelijk meer risico lopen. Niet alleen vanwege de verplichting om beveiligingsmaatregelen zelf goed te keuren, maar ook bijvoorbeeld door de opleidingsplicht. Hieronder gaan we dieper in op de belangrijkste verantwoordelijkheden en risico’s.
Twijfel je of jouw organisatie überhaupt onder de NIS2-richtlijn valt? Dan is dit een goed moment om duidelijkheid te krijgen en je organisatie daarop voor te bereiden. Met onze juridische NIS2 Quickscan krijg je snel duidelijkheid over de toepasselijkheid en de gevolgen.
Verantwoordelijkheden bestuurders onder NIS2
Voor organisaties die onder de NIS2 wetgeving vallen geldt een brede zorgplicht uit artikel 21 van de richtlijn. Die verplicht organisaties om passende en evenredige technische, organisatorische en operationele maatregelen te nemen om digitale risico’s te beheersen en incidenten te voorkomen of de impact daarvan te beperken.
Artikel 21, lid 2, werkt deze verplichting verder uit en somt een aantal maatregelen op die minimaal moeten zijn geregeld. Denk aan een risicoanalyse en een beveiligingsbeleid.
Bovenstaande raakt direct aan de bestuurlijke verantwoordelijkheid: het bestuur moet deze maatregelen namelijk goedkeuren.
In artikel 20, lid 1 NIS2 (Governance) lezen we immers het volgende:
De lidstaten zorgen ervoor dat de bestuursorganen van essentiële en belangrijke entiteiten de door deze entiteiten genomen maatregelen voor het beheer van cyberbeveiligingsrisico’s goedkeuren om te voldoen aan artikel 21, toezien op de uitvoering ervan en aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreukendoor de entiteiten op dat artikel.
Bestuurders zijn dus verplicht om de risicobeheersingsmaatregelen goed te keuren en toe te zien op de uitvoering daarvan. De Nederlandse wetgever moet er bovendien voor zorgen dat bestuursorganen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer zij artikel 21 schenden.
In lid 2 van artikel 20 staat bovendien dat bestuurders verplicht zijn om via opleiding voldoende kennis en vaardigheden op te doen om cyberrisico’s te herkennen, de beheersing en impact daarvan te kunnen beoordelen en rapportages over deze risico’s goed te kunnen duiden.
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurders onder NIS2
Kijken we verder in NIS2, dan zien we dat er een heel concrete bepaling staat over de persoonlijke aansprakelijkheid van individuele bestuurders. Die staat expliciet in artikel 32, lid 6:
De lidstaten zorgen ervoor dat elke natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor of optreedt als wettelijke vertegenwoordiger van een essentiële entiteit op basis van de bevoegdheid om deze te vertegenwoordigen, de bevoegdheid om namens deze entiteit beslissingen te nemen of de bevoegdheid om controle uit te oefenen op deze entiteit, de bevoegdheid heeft om ervoor te zorgen dat deze entiteit deze richtlijn nakomt. De lidstaten zorgen ervoor dat dergelijke natuurlijke personen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het niet nakomen van hun verplichtingen om te zorgen voor de naleving van deze richtlijn.
De NIS2 bevat dus een bepaling waaruit direct voortvloeit dat personen binnen de organisatie persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Wanneer een individuele bestuurder zijn of haar taken en verantwoordelijkheden onder NIS2 niet voldoende invult, kan deze persoon daarop derhalve worden aangesproken.
Dit betekent dus wel degelijk een uitbreiding van de bestuurdersaansprakelijkheid onder de NIS2, vooral ook omdat de taken en verantwoordelijkheden van bestuurders nu expliciet zijn vastgelegd in de richtlijn.
Verplichte training voor bestuurders onder NIS2
NIS2 verlangt niet dat bestuurders securityspecialisten zijn, maar wél dat zij voldoende kennis hebben om cyberrisico’s te beoordelen en het gesprek hierover te voeren. Artikel 20 lid 2 NIS2 bepaalt daarom dat bestuurders een opleiding moeten volgen waarmee zij de vaardigheden ontwikkelen om risico’s te herkennen, risicobeheersmaatregelen te beoordelen en de impact daarvan te begrijpen.
Dit is nadrukkelijk geen papieren verplichting. Bestuurders moeten in staat zijn om met CISO’s en andere betrokken medewerkers inhoudelijk te spreken over informatiebeveiliging en om te beoordelen of maatregelen passend en evenredig zijn. Daarbij hoort ook dat het bestuur een cultuur stimuleert waarin informatiebeveiliging een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering is.
De Cyberbeveiligingswet werkt deze verplichting verder uit. Artikel 26 bepaalt dat bestuurders een erkende opleiding of training moeten volgen en met een certificaat moeten kunnen aantonen dat hun kennis actueel is. Zonder deze basis kan een bestuurder zijn wettelijke taken onder NIS2 niet goed vervullen.
NIS2: Wat zijn de belangrijkste risico’s voor bestuurders
Wie de NIS2-richtlijn grondig doorneemt, ziet al snel dat een van de meest kenmerkende elementen is dat de richtlijn enkele verantwoordelijkheden uitdrukkelijk bij het bestuur neerlegt. Dit gaat verder dan een algemene zorgplicht voor het bestuur. Een belangrijk inzicht is dan ook dat het bestuur van een organisatie in beginsel niet het beheer van en het toezicht op cyberrisico’s kan “wegdelegeren” aan gespecialiseerde leidinggevenden of aan een audit- of risicocommissie. Taken kunnen worden verdeeld, maar de verantwoordelijkheid blijft bij het bestuur als geheel.
Kort samengevat: NIS2 gaat uit van een collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur, waarbij individuele bestuurders hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de verantwoordelijkheden van het bestuur als geheel, ook wanneer bepaalde taken intern zijn verdeeld.
Dat betekent in praktische zin dat iedere bestuurder wettelijk in staat moet zijn om besluiten te nemen over beveiligingsmaatregelen. De richtlijn verlangt dat alle bestuurders de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid dragen om passende maatregelen te nemen.
Tegelijkertijd betekent dit natuurlijk nog niet dat bestuurders bij iedere fout persoonlijk kunnen worden aangesproken. Aansprakelijkheid komt in beginsel pas in beeld wanneer er sprake is van wezenlijke tekortkomingen, zoals het structureel negeren van beveiligingsrisico’s of het niet goedkeuren van noodzakelijke maatregelen. Van belang daarbij is dat artikel 21 NIS2 (zorgplicht) een open norm bevat waarin wordt uitgegaan van “passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen”. Wat in een concrete situatie als “passend” moet worden beschouwd, is natuurlijk niet altijd eenduidig en laat ruimte voor interpretatie en discussie.
Daar komt bij dat er voor aansprakelijkheid daadwerkelijke schade moet zijn die aan het handelen of nalaten van de bestuurder kan worden toegerekend. Dat zal in de praktijk niet altijd makkelijk te bewijzen zijn, zeker wanneer meerdere factoren een rol spelen bij het ontstaan van een incident.
Veelgestelde vragen over NIS2 en bestuurdersaansprakelijkheid